Inschrijven nieuwsbrief

HET VOLGENDE LIED (column voor De Standaard)

Op café met een bevriende songschrijver. Het uur is laat, de nacht al minder jong dan wij zouden willen. Ons gesprek is wat aan het doodbloeden als ik mij plots op glad ijs begeef: ‘Natuurlijk zie ik mijn vrouw graag,’ zeg ik. ‘Maar ik zie ook altijd mijn volgende lied graag. Dat is het probleem.’ Mijn vriend kijkt op, maar besluit wijselijk te zwijgen. Hij walst wat met het bodempje bier in zijn glas.

‘Komaan, dat ken jij toch ook?’ dring ik aan. ‘Je volgende lied dat altijd opnieuw het mooiste ter wereld moet worden? En dus al je aandacht opeist? Maar uiteraard wil je geliefde ook wat van die aandacht. Alleen: hoe ga je in competitie met de fata morgana van potentieel het mooiste lied ter wereld?’ Mijn vriend murmelt iets onverstaanbaars en bestelt nog twee keer hetzelfde.

Flashback naar anderhalve maand geleden: mijn vrouw en ik op snippervakantie in Zeeland. Drie gestolen dagen, zomaar in onze schoot geworpen. Drie dagen zonder kinderen, daar moet wel romantiek van komen.

Warm ingeduffeld wandelen wij door de polders tot we de onvermoeibaar toeterende vooruitgang van ons hebben afgeschud. Onze gezichten tintelen van de kou. Om beurten wijzen wij elkaar vogels aan. We lachen met een koe die eruitziet als een pony met een slechte kapper. Ik vertel onnozele mopjes, waardoor zij giechelt als een klein meisje.

Dan legt zij haar ijspegelvingers op mijn wangen, gaat op de toppen van haar tenen staan en kust mij op de mond. Vooral dat op de toppen van haar tenen staan, verrukt mij. We kussen nog eens. En nog, want we hebben de smaak te pakken. ‘Neenee,’ zegt zij ferm, als ik aanstalten maak om haar los te laten. ‘Nog. Nog kussen.’ Een echte man weet wanneer hij zijn vrouw moet gehoorzamen.

Later duikelen wij een café binnen. Zij bestelt kruidenthee en houdt haar verkleumde handen tegen het kopje. Ik vouw de mijne errond. Romantiek, ik zei het toch? En dan rafelt de tijd uiteen, en praten we eindelijk weer over al die onbelangrijke zaken waar we al te lang niet meer over gepraat hebben. Tot er ineens iets begint te zoemen. Iets wat, dat vreesde ik al, verdacht veel op inspiratie lijkt.

Of zij toevallig misschien iets bij zich heeft om te schrijven, vraag ik. Zij, fronsend, terwijl de romantiek zich schrap zet om pijlsnel te verdampen: ‘Geen muziek. Dat was de afspraak.’ Ik: ‘Ja, ik weet het. Maar ja.’ Zij: grommel, grommel. Ze graait in haar handtas, kwakt een balpen op tafel en kondigt aan dat ze moet plassen.

Als ze weer tegenover mij zit, ligt de balpen daar nog steeds. ‘Ik zie jou het liefst,’ zeg ik. ‘Echt. Maar soms wint het volgende liedje.’ Nu het uitgesproken is, word ik er gelijk somber van.

Ze trommelt met haar vingers op tafel, en buigt zich dan naar mij toe. ‘Why ssso ssseriousss?’ sist ze in mijn oor, met de stem van The Joker uit de Batmanfilms. Ik zet het op een idioot grijnzen. Als zij dat wil, is er van competitie geen sprake. Het volgende lied, potentieel nochtans het mooiste ter wereld, kan inpakken. Voorlopig.

(Verscheen eerder in De Standaard)