Wat zullen de mensen peinzen? (column De Standaard)

Lies, een hartsvriendin van mij, overwon een tijd geleden kanker. We zien elkaar gemiddeld één of twee keer per jaar, maar praten dan wel binnen de kortste keren over de Grote Dingen. Vanzelfsprekend is het een Groot Ding dat zij het smerigste aller beesten uit haar lijf kon verjagen, voor het haar helemaal kapot gevreten had. Dus ook daar praten we al eens over. Soms met lange tanden, vaak met vuur in de ogen. Want sinds die gitzwarte episode denkt Lies: gedaan met in sneltempo te leven, vanaf nu geniet ik van elk moment.

Dat leek mij de zinnigste reactie die een mens in zo’n geval kan hebben, maar blijkbaar heb ik het mis. ‘Weet je wat ik het vaakst te horen krijg als ik op vertrekken sta?’ vroeg Lies mij eens. U moet weten: Liezeke pakt regelmatig haar valiezeke naar één of ander buitenland. Omdat zij vindt dat je de overwinning van het leven op de dood nooit op genoeg verschillende plaatsen kunt vieren. Ik voelde de bui al hangen, maar schudde toch – een mens mag hopen – van nee. ‘Amai, gij neemt het er nogal van! Dát zeggen ze!’ foeterde Lies. Terwijl zij nochtans zelden op foeteren te betrappen valt. ‘Maar dan zeg ik: ah, oei, ik dacht dat genieten net de bedoeling was, zo na mijn KANKER! Dan weten ze niet waar kijken.’

Lies moest er alweer bij schaterlachen en ik hinnikte voor de vorm ook wat mee. Maar in mijn eigenste binnenste dacht ik: aaargh, hijs mij nu toch godverdegodver in een blauwe balletjurk en noem mij meermaals Rosse Rita! Ik wil maar zeggen, ik dacht: kan je dat nu in godsnaam geloven?

Het ergste is: ik kán dat geloven. Iedereen die op Vlaamse bodem uit een vulva is geglibberd, kent de reflex van ‘Wat zullen de mensen wel niet peinzen?’, een oprisping die bij ons sneller komt piepen dan onkruid in een vochtige moestuin. Zeker als je laat doorschemeren dat je ook wat wil genieten van dit verrekt eindige, aardse bestaan.

Momenteel verbouwen Lies en haar vriend een busje om er een jaar mee op wereldreis te gaan. Inwendig jubelde ik toen ik dat hoorde: ‘Doen, Lies! Doen!’ Maar meteen daarna kwam mijn verbeelding het feestje verpesten. Ik zag de dag van vertrek al voor me: vrienden en kennissen schuifelen één voor één door het busje. Bewonderende blikken. Goedkeurend gemompel. Iemand voelt aan een kastje, klopt met zijn vuist op een wand en prijst het vakwerk. Er wordt omhelsd en gekust. Men drukt de vertrekkers op het hart dat ze er met volle teugen van moeten genieten. Men zwaait tot het busje om de hoek verdwijnt. Dan volgt het hoofdschudden. ‘Ja zeg, op wereldreis! Die doen maar lekker op!’

Maar enkele dagen later, toen ik beter geslapen had, drong zich plots een andere versie aan mij op. Opnieuw zag ik het busje om de hoek verdwijnen, maar nu kwam er geen hoofdschudden. Iemand zei: ‘Er kleeft dan wel een onzichtbare vervaldatum op elk van ons, maar gaan we daarom zitten janken? Laat ons liever vieren dat die twee sloebers hun dromen durven najagen!’ Gejuich steeg op, flessen werden ontkurkt.

(Verschenen in De Standaard, op 20-12-2018)